Aeolus

Uit Metapedia
Ga naar: navigatie, zoeken

De Aeolus was het beroemde 17e eeuws vlaggenschip van viceadmiraal Jacob van Heemskerck, waarbij de eerste echte oorlogsvloot van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden gedurende de Tachtigjarige Oorlog tijdens de gewonnen Slag bij Gibraltar op 25 april 1607, in de baai van de zuid Spaanse havenstad Gibraltar een volledige Spaanse oorlogsvloot totaal vernietigde. Ook was de Aeolus het vlaggenschip van de ontdekkingsreiziger Joris van Spilbergen tijdens zijn wereldreis van 1614 tot 1617.

De reden voor de bouw van de Aeolus

De Aeolus was genoemd naar Aeolus, de god van de winden uit de Griekse en Romeinse mythologie en was een slag groter dan alle voorgaande Nederlandse schepen. De schepen van de Watergeuzen Willem Lumey van der Marck en Willem Bloys van Treslong, die in 1572 onverwachts Den Briel hadden veroverd, waren nog kleinere bewapende koopvaarders geweest. Cornelis Dirkszoon, burgemeester van Monnickendam had bij zijn overwinning bij de Slag op de Zuiderzee in 1573 tegen de Spaanse vloot van Boussu nog gebruik moeten maken van allerlei Nederlandse schepen die voorhanden waren. Datzelfde gold voor admiraal Lodewijk van Boisot, die bij zijn successen tijdens de Slag bij Lillo en de Slag bij Reimerswaal in 1574 tegen de Spanjaarden alles gebruikte wat varen kon. Ook admiraal Justinus van Nassau, de zoon van Willem van Oranje, had zich bij zijn successen tegen de Spaanse Armada in 1588 nog moeten behelpen met kleinere scheepjes. Admiraal Wolfert Harmenszoon gebruikte bij zijn vernietiging van een gehele Portugese vloot bij Bantam in 1601 nog gewone schepen van de VOC. Ook luitenant-admiraal Jacob van Wassenaer Duivenvoorde, de vader van de later in 1665 zo onfortuinlijk gesneuvelde Jacob van Wassenaer Obdam, hanteerde tijdens zijn overwinning tijdens de Slag in het Kanaal in 1602 tegen de Spanjaarden nog bewapende koopvaarders. Ook de Zeeuwse admiraal Joost de Moor had bij zijn overwinning bij de Slag bij Suis in 1603 tegen een Spaanse galeienvloot zelfs nog ten dele op de Spanjaarden veroverde galeischepen, waaronder de beroemde Zwarte Galei, moeten gebruiken. Maar nadat oa. in 1594 de Compagnie van Verre was opgericht en in 1596 door Cornelis en Frederik de Houtman Bantam en daarmee Nederlands-Indië was ontdekt, met als gevolg de oprichting van de VOC in 1602, waren vooral na de lange reizen van de ontdekkingsreizigers Jan Huyghen van Linschoten, de gebroeders De Houtman, Jacob Cornelisz. van Neck en Olivier van Noort, de eerste Nederlander die een volledige reis om de gehele wereld maakte, grotere en beter bewapende schepen nodig, die zichzelf overal in de wereld konden redden. De Aeolus werd waarschijnlijk nooit als oorlogsschip ontworpen, maar was een groot en goed bewapend VOC-schip. Die rol zou het ná de Slag bij Gibraltar bij de wereldreis van Joris van Spilbergen ook weer krijgen. Omdat de Aeolus het grootste en best bewapende schip van de voor de zeeslag uitgezonden schepen was, kreeg het uiteindelijk de rol van vlaggenschip toebedeeld.

De voorgeschiedenis van Van Heemskerck

Jacob van Heemskerck was vijf jaar oud toen de Geuzen Den Briel veroverden en zeven jaar oud toen Leiden door Boisot werd ontzet. Dat maakte een grote indruk op hem en het nieuws moet hem opgewonden hebben, want hij nam zich voor iets dergelijks voor Nederland te doen. Hij kwam van een oude gefortuneerde familie en heeft nooit armoede, of zelfs maar het matrozenleven gekend. Hij leerde de beginselen van de zeevaartkunde bij Canu in Amsterdam. Van Heemskerck had zich na overleg met de voormalige Zuidelijke Nederlandse cartograaf Petrus Plancius op 2 juli 1595 samen met Willem Barentsz, tijdens diens tweede reis ingescheept op het vlaggenschip de Windhond met een kleine vloot, om via een ontdekkingsreis via de Noordoostelijke Doorvaart, een veiliger route naar China te vinden. Na enkele maanden waren ze in oktober weer terug. Het ijs had hen tegengehouden. Maar op 10 mei 1596 waren ze voor een derde reis met twee schepen Amsterdam uitgezeild. Maar na de ontdekking van de Barentszee, Bereneiland, Barentszeiland en Spitsbergen was een van de schepen in het ijs vast komen te zitten en na een barre overwintering op Nova Zembla in Het Behouden Huys, waren de overlevenden, want Barentsz was onderweg gestorven, onder de bezielende leiding van Van Heemskerck op 29 oktober 1597 in sloepen in Amsterdam teruggekeerd. Omdat iedereen er van overtuigd was, dat niemand de tocht zou hebben overleefd, zonder de inspirerende en bekwame Van Heemskerck werd hij in heel Nederland beroemd. Na de tocht voer hij opnieuw uit om de Duinkerker kapers en Barbarijnse Zeerovers te bestrijden. Op 1 mei 1598 reisde hij mee met de eerste reis van admiraal Jacob Cornelisz van Neck naar Indië en Bantam, waarbij hij tijdens deze reis tot viceadmiraal benoemd zou worden. Op 19 mei 1600 was hij daarvan teruggekeerd, om op 23 april 1601, ditmaal als admiraal opnieuw een reis naar Indië te ondernemen. Onderweg had Van Heemskerck op het naar prins Maurits vernoemde eiland Mauritius een zeer goede beschrijving van de Dodo opgetekend. Op 25 februari 1603 veroverde Van Heemskerck een zeer rijke kraak, van een waarde van enkele miljoenen guldens, op de met de Spanjaarden verbonden Portugezen, waarvoor hij een grote beloning kreeg. Door deze grote overwinning en de goede behandeling van de gevangenen, waaronder 100 vrouwen, steeg zijn bekendheid na zijn terugkeer in Nederland in juli 1604 in Nederland nog meer.

De voorbereidingen voor de zeeslag

In 1607 bereikte een bericht Nederland, dat een zeer grote Spaanse vloot werd verzameld in de baai van Gibraltar, met als doel om Nederlandse bezittingen in Indië te veroveren. De admiraal van deze Spaanse vloot was de beruchte Don Juan Alvarez de Aviles, die ook betrokken was bij de enige Spaanse overwinning, die waarbij een totale Turkse galeienvloot tijdens de Slag bij Lepanto in 1571 was vernietigd. De VOC drong er bij de Staten-Generaal op aan een sterk eskader uit te rusten onder een ervaren admiraal, die door de Staten benoemd zou moeten worden. Slechts één man kwam daarvoor voor velen door zijn karakter en zijn ervaring in aanmerking, Jacob van Heemskerck. Toen hij daarvoor werd gevraagd en de Aeolus als vlaggenschip kreeg aangeboden, met als tijdelijk rang die van viceadmiraal, ging hij daar onmiddellijk op in, maar slechts onder één hele bijzondere voorwaarde. Hij wilde namelijk géén enkele beloning. De vertegenwoordigers van de Staten waren toch wel verbaast, maar vonden hem de gedroomde opperbevelhebber. Na lang aandringen van de autoriteiten, stemde hij er mee in, 13% als beloning te ontvangen van alles wat hij méér zou veroveren dan 40.000 pond. Na een zeer gedegen voorbereiding in diverse Nederlandse havens, waarbij de beste beschikbare Nederlandse schepen werden uitgezocht, met de beste geschutsbemanningen en de meest gemotiveerde matrozen, vertrok de vloot van 26 schepen en vier vrachtvaarders, met allen een groot aantal extra kanonnen aan boord, op 25 maart 1607 uit de Nederlandse havens. Daarbij waren naast de Aeolus als vlaggenschip met vlaggenkapitein Pieter Willemszoon Verhoeff, ook de Tijger, de Zeehond, de Griffioen, de Rode Leeuw, de Witte Beer, de Gouden Leeuw, de Zwarte Beer, de Morgenster en de op de Spanjaarden veroverde Friesche Pinas. Het waren zwaar bewapende koopvaarders en géén echte oorlogsschepen, maar omdat deze vloot speciaal was uitgerust voor deze strafexpeditie, wordt deze vloot óók wel als allereerste Nederlandse oorlogsvloot gezien. Aangemeld had zich ook kapitein Harpert Maertenz Tromp, met zijn schip de Olifantstromp met de volledige bemanning. Kapitein Tromp had ook zijn negenjarig zoontje Maarten Tromp, de latere beroemde admiraal, meegenomen. Zeer waarschijnlijk deed hij dat, na zéér lang aandringen van de jongen zelf en omdat vader en zoon zeer op elkaar gesteld waren, had de kapitein uiteindelijk toegegeven, vooral ook om de jongen voor zijn puberteit echte kruitdampen te laten ruiken. Na een verzamelpunt bij het eiland Wight vertrok de vloot met aan het hoofd de Aeolus op 29 maart richting Spanje.

De Nederlandse oorlogsvloot bereikte op 10 april de monding van de Taag, de grootste rivier van het Iberisch Schiereiland, die in Spanje ontspringt en bij het Portugese Lissabon in de Atlantische Oceaan eindigt. Een Engels schip wilde net de rivier opvaren en de kapitein ervan werd door Van Heemskerck op de Aeolus overgehaald, een van de officieren van Van Heemskerck mee te nemen, om te kijken of er nog nieuws en vooral de verblijfplaats van de Spanjaarden was. De Nederlandse officier kwam even later terug op de Aeolus, met het bericht, dat de Spaanse vloot naar Gibraltar was gezeild, om daar thuiszeilende Nederlandse koopvaarders met een rijke lading uit Italië of het oosten van de Middellandse Zee te veroveren. En dus zette Van Heemskerck op de Aeolus met de Nederlandse vloot rechtstreeks koers naar de Spaanse havenstad Gibraltar. Op 22 april ontmoette het Nederlands eskader een Hollands schip, dat op weg naar huis het geluk had om in de nacht ongezien dwars door de Spaanse vloot te zeilen. Ook deze Hollandse kapitein had de melding: De Spanjaarden voeren richting Gibraltar. Twee dagen later hield Van Heemskerck op de Aeolus op 24 april een Frans schip aan, dat op weg naar zijn eigen thuishaven was. De Franse kapitein vertelde dat de Spanjaarden met hun gehele vloot Gibraltar waren binnengelopen en hij had ze ook geteld: 10 grote zwaarbewapende galjoenen en 11 kleinere schepen. Van Heemskerck vond het één dag voor de uiteindelijke zeeslag tijd voor een krijgsraad en seinde al zijn kapiteins aan boord van de Aeolus te komen. In de admiraalskajuit van de Aeolus waren alle 26 Nederlandse kapiteins aanwezig, waaronder ook kapitein Tromp. Daarbij was ook vlaggenkapitein van de Aeolus Verhoeff. Van Heemskerck was met zijn 40 jaar, jonger dan de meeste kapiteins en vertelde in de kajuit van de Aeolus, dat de Nederlanders op zee nog nóóit van Spanjaarden hadden verloren en dat de Nederlanders nu de dankbaarheid van hun landgenoten konden verdienen. Hij ontvouwde zijn plan, dat ieder van de 10 Spaanse galjoenen, zeer grote drijvende vestingen, ieder door twéé Nederlandse schepen, aan weerszijden één, aangevallen moesten worden. Hijzelf zou met de Aeolus en het schip van kapitein Lambert, het Spaanse admiraalsschip van Aviles aanvallen. De resterende zes Nederlandse schepen, konden dan afrekenen met de elf kleinere Spaanse schepen. En de vier Nederlandse vrachtschepen, waaronder de Olifantstromp van kapitein Tromp kregen de taak de haven van Gibraltar te blokkeren, zodat géén enkel Spaans schip kon ontsnappen. Zeer waarschijnlijk kende Van Heemskerck de typisch Spaanse verdedigingsmethode van schepen beveiligen in een haven en op basis daarvan gaf hij iedere kapitein orders voor een speciaal doel. De krijgsraad was ook géén bespreking, maar wel de snelste manier van een zelfverzekerde admiraal, om iedere kapitein héél gedetailleerd uit te leggen wat zijn schip specifiek moest doen.

De Aeolus in gevecht

In de ochtenduren van 25 april zeilde de Nederlandse vloot, met de Aeolus voorop in volkomen linie, in lijn achter elkaar, de baai van Gibraltar binnen. De Spaanse schepen lagen geankerd in een halve cirkel vóór de kade, die de schepen met hun kanonnen moest beveiligden. Bovendien werden de Spanjaarden gedekt door twee forten, die de gehele haven bestreken. En daarnaast had Aviles 4000 soldaten uit de stad aan boord van zijn schepen genomen en een Duits, drie Hollandse en vier Franse schepen, die hij gedurende de tocht met de Spaanse vloot had veroverd, ook door eigen soldaten laten bemannen. Toen Aviles de Aeolus en het schip van kapitein Lambert op zich af zag komen, liet hij de kapitein van een veroverd Hollands schip naar zijn eigen vlaggenschip komen. Hij vroeg de Nederlandse schipper, of deze dacht dat die kleine Hollandse scheepjes nou echt van plan waren, om zijn drijvende vestingen aan te vallen. Na de verzekering van de Nederlandse kapitein, dat dit zeer waarschijnlijk op het punt stond te gebeuren, liet Aviles plotseling het anker van zijn galjoen kappen, om met zijn schip méér ruimte te hebben voor een zeeslag. Hij hoopte dat de andere Spaanse kapiteins dat ook deden, maar hij was te laat. Spanjaarden zijn tijdens alle zeeslagen met de Nederlanders onhandige zeelui gebleken en Aviles had zijn kans verspeeld. Zijn galjoen kon geen vaart maken en het dreef weg naar de wal. Toen het schip van Aviles zich van de andere Spaanse galjoenen verwijderde, vroeg vlaggenkapitein van de Aeolus Verhoeff, aan Van Heemskerck, of nu dan maar het galjoen van de Spaanse viceadmiraal, Aviles eigen zoon, aangevallen moest worden. Maar Van Heemskerck verbood dit en gaf de order het Spaanse schip te volgen en niet te vuren, voordat de Aeolus langszij het Spaanse vlaggenschip was gekomen. Hij beloofde ook 100 dukaten voor die Nederlandse zeeman, die de Spaanse vlag zou neerhalen. Terwijl de andere Nederlandse schepen de hun door Van Heemskerck aangewezen doelen aanvielen, ging de Aeolus gevolgd door het schip van kapitein Lambert, achter het galjoen van de Spaanse admiraal aan. Het vlaggenschip van Aviles loste het eerste schot. Bijna tegelijkertijd gaf Van Heemskerck bevel alle kanonnen van de Aeolus te laten vuren. Het tweede Spaanse schot trof een Nederlandse matroos, die naast Van Heemskerck stond en verbrijzelde ook het linkerbeen van de Nederlandse viceadmiraal. Van Heemskerck viel dodelijk gewond op het dek van de Aeolus en vlaggenkapitein Verhoeff knielde naast hem neer. De stervende Van Heemskerck kneep in de hand van Verhoeff en fluisterde:

"Ga door, zoals wij van plan waren. Zorg dat we winnen".

En de Nederlanders gingen door met het plan dat door Van Heemskerck bedacht was. Ieder Spaans galjoen werd met dubbele felheid aan weerszijden aangevallen en elk Nederlands schip kende zijn doel. De vrachtschepen met de Olifantstromp van kapitein Tromp en zijn zoontje Maarten, beschoten bij de ingang van de baai, de Spaanse forten en de kanonnen op de kade. Een van de grootste Spaanse galjoenen vloog in de lucht. De stukken vlogen dertig meter hoog. Toen de avond viel was het galjoen van Aviles, die ook in de eerste minuten werd gedood en dat van zijn zoon en drie andere galjoenen verbrand. Nog een Spaans galjoen vloog in de lucht, een galjoen zonk door een schot onder water en de laatste twee werden aan strand gejaagd, veroverd en in brand gestoken. Alle 21 Spaanse schepen werden vernietigd en de Nederlanders zetten boten uit om honderden wegzwemmende Spanjaarden te doden. Het was de ultieme nederlaag voor de Spanjaarden. De Nederlanders hadden 200 Spanjaarden, waaronder de zoon van Aviles gevangengenomen, maar ze hadden opgegeven de Spaanse doden te tellen, want nog dagenlang dreven de Spaanse lijken rond in de baai. Maar algemeen werd aangenomen, dat er minstens 4000 Spaanse doden waren. De Nederlanders verloren nog geen 100 man en hadden 60 gewonden, maar zij verloren géén enkel schip. Toen de bemanning van de Nederlandse vloot na afloop van de slag hoorde, dat hun onzelfzuchtige admiraal was gesneuveld, waren zij diep bedroefd. Hij was algemeen geliefd door zijn rechtvaardigheid, vroomheid en bekwaamheid. Zijn lichaam werd gebalsemd en de volgende dag naar huis gezonden. Hij kreeg in Nederland de allereerste staatsbegrafenis en werd onder zeer grote belangstelling in de Oude Kerk in Amsterdam begraven. Door zijn glorieuze overwinning ontstond er in Nederland een ware heldenverering rond de persoon van Jacob van Heemskerck.

De gevolgen na de zeeslag

In heel Europa galmde deze verpletterende Nederlandse zege nog tientallen jaren na. Hoewel er geen territoriale veranderingen waren, maakten de Spanjaarden na deze Nederlandse overwinning, haast met de vredesbesprekingen met de Nederlandse "ketters" waarvan niet te winnen viel. Niet geheel toevallig was in 1605 een roman van de Spaanse schrijver Cervantes verschenen. Algemeen wordt aangenomen, dat met de dolende oudere Spaanse ridder Don Quichot Spanje wordt bedoeld en met zijn buurman en dienaar Sancho Pancha het met Spanje verbonden Portugal. En met de molens waartegen beiden tevergeefs vechten worden natuurlijk de onverslaanbare Nederlanders bedoeld, waarop geen grip te krijgen is. Voor de vredesbesprekingen zou zelfs de ervaren Spaanse veldheer Ambrogio Spinola naar Den Haag komen, wat zou resulteren in het Twaalfjarig Bestand, een tijdelijke vrede, dat van 1609 tmt 1621 zou duren. En Nederland kon ook na de zeeslag de Straatvaart, de nauwe passage bij de rots van Gibraltar beheersen en de Nederlandse dominantie in de Middellandse Zee laten gelden. De verpletterende Nederlandse overwinning bij de Slag bij Gibraltar was voor Piet Heyn de aanleiding om van de haringbuis van zijn vader, over te stappen op een zeeschip om daarmee zelf successen te behalen. In 1628 zou hij dan ook de allereerste Zilvervloot op de Spanjaarden veroveren. Naast de negenjarige Maarten Tromp, was deze Nederlandse zege ook voor de achtjarige Witte Corneliszoon de With, de zevenjarige Johan Evertsen, de vijfjarige Pieter Florisse, de driejarige Egbert Bartolomeusz Kortenaer en de in het jaar van de zeeslag geboren Michiel Adriaanszoon de Ruyter de reden om later op een oorlogsschip dienst te doen om nieuwe overwinningen te behalen.

De moord op Verhoeff en de dood van Tromp

De vlaggenkapitein van de Aeolus Pieter Willemsz. Verhoeff werd als dank voor zijn moedig optreden tijdens de Slag bij Gibraltar, benoemd tot admiraal bij de VOC. Hij kreeg als opdracht mee, om nog vóór het te verwachten Bestand, zoveel mogelijk Portugese bezittingen in Nederlands Indië te veroveren. Hij vertrok acht maanden na de Slag bij Gibraltar, op 21 december 1607 met een vloot van dertien schepen naar Bantam. Onderweg deed hij nog het naar prins Maurits vernoemde Dodo-eiland Mauritius aan, waarbij een van zijn bemanningsleden door een Dodo in zijn bil gebeten werd. Het uitvoeren van zijn oorspronkelijke opdracht tegen de Portugezen verliep niet al te succesvol, vooral omdat er geen schermutselingen met de Portugezen waren. Na een lang omzwerven, kwam hij op 15 februari 1609 aan op het eiland Bantam. Hij had een brief bij zich van prins Maurits met een verzoek voor de plaatselijke regeerders om een Nederlands fort te mogen bouwen, met bescherming en cadeaus voor de bevolking. In wat later bekend zou komen te staan als Het Verraad van de Bandanezen, werd hij echter op 22 mei 1609 naar een ongewapende bespreking gelokt en samen met andere Nederlanders door de plaatselijke bevolking vermoord. Een van de weinige overlevenden, was de latere gouverneur-generaal van Indië Jan Pieterszoon Coen, op wie de moord een blijvende indruk zou achterlaten en de reden zou zijn voor zijn latere strenge handhaving van rust en orde. In hetzelfde jaar dat de vlaggenkapitein van de Aeolus Verhoeff werd vermoord, had het vrachtschip van kapitein Tromp, met zijn zoon Maarten als kajuitsjongen, op zee een ontmoeting met een zwaarbewapende Engelse zeeschuimer. In het gevecht dat volgde werd kapitein Tromp gedood en de jonge Maarten riep de bemanning toe: "Moet je mijn vader's dood niet wreken?" Maarten moest drie jaar als kajuitsjongen bij die zeerover dienst doen. Maar dat brak hem niet, want daar werd de basis gelegd voor zijn vasthoudend karakter voor zijn latere admiraalschap.

De Aeolus en de wereldreis met Van Spilbergen

Omdat er na de Slag bij Gibraltar en het daardoor bereikte Twaalfjarig Bestand geen schermutselingen met de Spanjaarden waren, kreeg de Aeolus weer de rol van schip van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Het schip zou dan ook onderdeel worden van een wereldreis die Joris van Spilbergen voor de VOC zou maken. In 1614 kreeg Van Spilbergen van de VOC de opdracht, om als admiraal met een vloot naar Nederlands Indië te zeilen om daarbij ook de monopolie voor de VOC van Straat Magellaan in het zuiden van Zuid-Amerika veilig te stellen. Waarschijnlijk gebruikte men het oorspronkelijke idee van de beroemde Nederlandse ontdekkingsreiziger Jacob le Maire. Hoewel er een Bestand met de Spanjaarden was, dat de Aeolus mede had afgedwongen, kreeg Van Spilbergen ook de opdracht mee, om zoveel mogelijk Spaanse bezittingen aan te vallen en te verzwakken. Hij kreeg een vloot mee van zes schepen, de Zon, de Maan, de Jager en de Meeuw en twee schepen die hadden meegedaan aan de Slag bij Gibraltar, de Morgenster en de Aeolus. En mogelijkerwijs werd de Aeolus het vlaggenschip van Van Spilbergen, misschien vanwege de zware bewapening van het schip, maar waarschijnlijk vooral vanwege de bekendheid als vlaggenschip een grote overwinning geleid te hebben. En deze keuze was meer dan aannemelijk, omdat niet geheel toevallig Van Spilbergen ook onder Jacob van Heemskerck tijdens de Slag bij Gibraltar gediend had, al had hij als administrateur daarbij geen actieve rol gespeeld. In hetzelfde jaar, dat de Noordse Compagnie werd opgericht, de Nederlandse zeevaarder Jan Jacobszoon May van Schellinckhout het eiland Jan Mayen ontdekte en de architect Hendrick de Keyser, die ook bezig was met het praalgraf voor Willem van Oranje, de Zuiderkerk in Amsterdam voltooide, vertrok de vloot van zes schepen met aan het hoofd de Aeolus en ongeveer 750 man in augustus 1614, vanwege de heersende tegenwinden eerst voor een reis via Kaap Verde, de meest westelijke punt van Afrika en dan voor de oversteek naar Brazilië. Na een lange Atlantische overtocht kwam de Aeolus met de Nederlandse vloot op 23 december aan bij Ilha Grande voor de Braziliaanse kust.

Op 1 januari 1615 riep Van Spilbergen op de Aeolus de krijgsraad bijeen, omdat er een muiterij dreigde op de Meeuw. Bij de soms ten dele buitenlandse bemanning van een schip van de VOC, behoorde een muiterij dan ook tot een van de vele moeilijkheden. Van de bemanning van de Meeuw werden 15 verdachten gearresteerd en twee leiders van de onlusten ter dood veroordeeld, maar daarmee zouden de problemen op de Meeuw nog niet voorbij zijn. In Ilha Grande vond men niet genoeg voedsel en daarom ging de vloot naar de zuidelijker gelegen baai Sint Vincent, waar men met de Portugezen probeerde te onderhandelen, zonder al te veel succes overigens. Daarom voer de Nederlandse vloot met aan het hoofd de Aeolus verder naar het zuiden, waar op 8 maart de Straat Magellaan werd bereikt. Terwijl ondertussen het schip de Meeuw was gedeserteerd, was pas begin april de wind voldoende gunstig om de 600 kilometer lange Straat in te zeilen. Op 6 mei bereikte de Aeolus met nog maar vier Nederlandse schepen de Stille Oceaan. Een jaar later in 1616 zouden de Nederlandse ontdekkingsreizigers Jacob le Maire en Willem Cornelisz Schouten een betere ronding van Zuid-Amerika ontdekken en deze naar Hoorn, de woonplaats van Schouten Kaap Hoorn benoemen. De Aeolus en de andere schepen zeilden nu aan de westkust van Zuid-Amerika omhoog naar de eilanden Mocha en Santa Maria voor de kust van Chili en bezochten ook op 12 juni de Chileense havenstad Valparaiso. In de baai lag een Spaans schip, maar de Nederlandse vloot kon het niet veroveren, omdat de Spanjaarden het in brand hadden gestoken, om te voorkomen dat het in Nederlandse handen zou vallen. De Aeolus en de Nederlandse vloot voer nu verder omhoog naar een andere Chileense havenstad Arica, waar men zilver op de Spanjaarden wilde veroveren, maar ook daar lagen geen Spaanse schepen.

Het Twaalfjarig Bestand

Het onder leiding van de Aeolus tijdens de Slag bij Gibraltar afgedwongen Bestand, een wapenstilstand, had later nog een volkomen onverwacht bijeffect. Door het wegvallen van een gemeenschappelijke vijand, laaiden in Nederland weer oude kerktwisten op. Vooral de tegenstellingen tussen de gomaristen of contra-remonstranten, volgelingen van de voormalige Zuidelijke Nederlandse theoloog Franciscus Gomarus en de arminianen of remonstranten, volgelingen van de gematigder Noordelijke Nederlandse theoloog Jacobus Arminius, die door zijn voortijdige natuurlijke dood in 1609 vermoedelijk aan een berechting ontsnapte, leidde tot een zeer scherpe tegenstelling. Als gevolg daarvan zou prins Maurits, die daarnaast ook nog een voorstander van het hervatten van de strijd tegen Spanje was en zijn voormalige leermeester, de landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt, die als mede-oprichter van de VOC ook nog een voorstander van het Bestand was, fel tegenover elkaar komen te staan, wat uiteindelijk zou leiden tot de onthoofding van de laatste in 1619 in Den Haag. Ook Maurits kan, hoewel zijn succesperiode voorbij leek, een slachtoffer van het Bestand genoemd worden. Na zijn overwinning bij de Slag bij Nieuwpoort in 1600 en zijn laatste persoonlijk succes met de herovering van Sluis in 1604, had hij niet kunnen voorkomen, dat Spinola het Beleg van Oostende in 1604 en het Beleg van Groenlo in 1606 zegevierend had afgesloten. Door het Bestand zou Maurits óók geen kans meer krijgen nieuwe overwinningen te behalen. In plaats daarvan zou hij in 1623 te maken krijgen met een complot tegen zijn leven, door de zoons van Van Oldenbarnevelt, Reinier en Willem. Reinier werd in hetzelfde jaar terechtgesteld, maar Willem kon ontsnappen naar Brussel, op dat moment in Spaanse handen, maar is de Republiek altijd trouw gebleven.

Bronnen

  • Francis Vere: Met Zout in hun Bloed
Een deel van dit artikel bestaat uit gewijzigde tekst van Wikipedia, en het artikel is daarom vrijgegeven onder de GFDL.